Belvedere 7 juni 2019

Zo van het Lisha bergdorp

 

Mijn vader was de jongste van drie zonen. Hij groeide op bij zijn oma in het familiehuis in Lisha. Lisha was een bergdorpje waar voornamelijk alleen Hu families woonden. Volgens de overlevering was Lisha gesticht door drie broers die vanuit het bergvoetdorpje Yuhu naar de bergen trokken en daar drie familiehuizen opzetten. Mijn vader stamde af van een van die broers.

Je zou inderdaad kunnen zeggen dat een ieder die Hu heette en uit dat gebied kwam gewoonweg familie was van elkaar. Je zou ook kunnen zeggen dat iedere Hu die in Nederland woont en ouders heeft die ook uit dat gebied kwamen, familie zijn van elkaar.

De Hu’s waren één grote familie.

Toch groeide mijn vader bijna alleen op de wereld op. Zijn vader vertrok als een van de eerste van Lisha naar Nederland om zijn geluk te beproeven. Zijn moeder werd daarom arm achtergelaten en moest hertrouwen zodat er genoeg eten was voor de kinderen. De kinderen mochten helaas niet mee naar de nieuwe familie maar bleven achter bij hun oma. De oma met de lelievoetjes die niet anders kon dan strompelen. De oudste broer van het gezin – stukken ouder dan mijn vader –  trouwde vroeg en ook hij vertrok zo snel mogelijk naar Nederland.

Onder het juk van zijn oma groeide mijn vader op tot een rustige jongeman. Hij zei niet veel, maar was zeker niet dom. Hij was zelfs even leraar geweest op een school. Maar van boeren op de akkers had hij geen kaas van gegeten. Het kleine stukje land wat hij moest bewerken bracht genoeg op voor eigen onderhoud, maar meer was er ook niet.

Hij ontmoette mijn moeder op jonge leeftijd en voor hij het wist, werd het een moetje. Ze trouwden en kregen mijn zus. Mijn moeder was pas achttien jaar. Later, toen ze zwanger werd van mij, vertrok ook mijn vader naar Nederland. Er waren extra handjes nodig in een restaurant van een neef in Nederland. Hij vertrok nog voordat ik geboren werd.

Opeens stond hij daar, een jonge boer in een Chinees-Indisch restaurant. Hij begon met afwassen, groente snijden, satés prikken en vlees snijden. Als hij dat lange tijd had gedaan, mocht hij proberen nasi en bami te bakken.

Hoewel hij als boer in Lisha als lui werd bestempeld, was mijn vader een ijverige leerling in de keuken. Hij ontwikkelde armspieren door het bakken van nasi en bami. Hij toonde veel werklust. En als neefje van de baas mocht hij steeds een stapje omhoog. Van nasi-bami-kok tot frituur-kok tot chef-kok.

Hoeveel jaren hij heeft gewerkt om het uiteindelijk tot chef-kok te schoppen, weet ik niet. Maar toen hij dat werd, beheerste hij de volledige Chinees-Indische keuken. Hij roosterde het lekkerste buikspek en pekingeend. Hij maakte de smakelijkste dagings (Indische stoofvlees) en satésaus.

Toen hij in 1993 in IJmuiden een familierestaurant begon, stond mijn vader zijn mannetje als chef-kok en trotse eigenaar. Mijn zus en ik waren inmiddels al vier jaar in Nederland en konden goed meehelpen in het restaurant. Restaurant Hong Kong was een van de eerste Chinese restaurants in IJmuiden, maar had glans verloren. De toenmalige eigenaar werd te oud werd en zijn schoondochter wist de bediening niet op peil te houden. De gasten bleven weg.

Dankzij leningen bij familieleden konden mijn ouders het restaurant overnemen. In een mum van tijd verspreidde het woord zich van mond tot mond: restaurant Hong Kong serveerde weer lekker eten. Oude vaste gasten kwamen terug en bleven. We groeiden uit tot een goedlopende familiezaak. We konden er goed van leven. Mijn vader was trots, hij had van een slechtlopende zaak een goudmijntje gemaakt. Er waren zelfs mensen die geld boden om het restaurant over te nemen. Hij sloeg alles af.

 

Nadat mijn zus was ingewerkt, begon ook ik in het restaurant te helpen. Eerst stond ik achter de afhaalbalie en later in de bediening. Dat vond ik in het begin veel te eng. Ik was een stil meisje. Naarmate ik ouder werd, begon ik de sociale contacten te waarderen. Ik sloot vriendschappen met gasten die de leeftijd hadden van mijn ouders of grootouders. Er kwamen zelfs jaarlijks vaste gasten van de scheepvaart terug. Je kon raden als het seizoen weer aanbrak.

Toen er nood in de keuken uitbrak, ging ik daar helpen. Zestien of zeventien jaar was ik. Vanaf het eerste begin was ik al in mijn nopjes. Achter de schermen werken, dat trok mij zo. Diep van binnen was het vooral het gevoel dat ik naast mijn vader mocht werken.

Loempia’s rollen en satés prikken deed ik al sinds we het restaurant hadden, maar nu mocht ik mijn vader ook echt helpen.

Ik begon met alles klaarleggen voor de gerechten, het opmaken van de borden en de juiste afhaalbakjes neerzetten. Daarna bewandelde ik dezelfde weg als die van mijn vader als jonge kok: nasi en bami bakken, daarna de frituur-wok en als laatste mocht ik zelfs de uitgifte en het omroepen van de bestellingen doen. Dat laatste was een gecombineerde taak: de verantwoordelijkheid om bestellingen correct uit te geven en zorgen voor de au bain-marie van de Indische gerechten.

In die periode leerde ik mijn vader beter kennen. Ik noemde hem Papa (wat ik nooit eerder deed) en we konden bijzonder goed samenwerken. Hij werkte hard, zo hard dat hij zijn eigen zwakte niet wilde toegeven. Een keer verbrandde hij zijn been aan een hete pan water die uit zijn handen was geglipt. Hij ging even naar de huisarts, maar liet het verder begaan. Aan zijn ogen en gelaat zag je dat hij leed onder het harde werken. Zeven dagen per week waren we open, van ’s ochtend vroeg tot soms midden in de nacht. Je hield het vol zolang het kon; zwakte of onkunde tonen, betekende gezichtsverlies lijden.

Op een gegeven moment waren we noodgedwongen om het restaurant te verkopen. Er was veel meer concurrentie bijgekomen en onze gezinssituatie was veranderd. Mijn vader raakte daarop in een diepe depressie. Hij zakte letterlijk in. De droefheid nam de overhand in zijn aangezicht. Hij had gezichtsverlies geleden en zijn lichaam liet hem ook in de steek. Hij werd afgekeurd omdat zijn linkerarm niet meer goed functioneerde, hij voelde zich vernederd omdat hij een uitkering moest aanvragen en af en toe moest werken in een sociale werkplaats.

Altijd behield hij nog een sprankje hoop om ooit weer een restaurant te kunnen starten. Maar zijn dood kwam vroeg. Een familiekwaal velde hem onverwacht. En wij verloren de persoon die de balk bleek te zijn die ons bij elkaar hield. Na zijn dood viel ons gezin uiteen en werd mijn moeder een zuur klagende vrouw die de wereld haar ongeluk verweet.

 

Mijn vader was geen heilige, hij was een kettingroker, hij dronk, hij gokte en hij leek niks te geven om de opvoeding van zijn vijf kinderen. Maar hij hield van ons zoals een traditionele Chinese ouder dat deed. Soms liet hij blijken dat hij je zag, ook al bemoeide hij zich nooit met je school of je leven. Hij gaf ons genoeg kleren, kookte wat we wilden eten, bracht ieder kind naar school als we bijna te laat waren of als de weeromstandigheden wel erg slecht waren om te fietsen. Mijn moeder adoreerde en haatte hem tegelijkertijd. Mijn vader was knap, maar veel affectie naar haar toe toonde hij niet. En mijn moeder had die affectie nodig. De enige tijd dat zij samen doorbrachten was in het casino, na sluitingstijd. Mijn ouders hadden op een gegeven moment letterlijk al hun zuur verdiende geld vergokt. Het ergste was dat ze wisten waar ze mee bezig waren. Ze konden er gewoonweg niet mee stoppen. Elke keer hoopten ze dat de tij zou keren, in het geluksspel en in het leven. Voor mijn vader eindigde het leven zwaar en zwart. Hij was nog geen vijftig en had enkel een leven geleden van overleven.

 

Nooit heb ik met hem kunnen praten over hoe hij het leven zag, over wat hij ervan vond om in Nederland te wonen. Die kans kreeg ik niet, omdat ik te onbenullig was als jongvolwassene. Nu zou ik aan hem willen vragen wat er door zijn hoofd ging. Waarom hij nooit Nederlands had willen leren, of hij koken echt leuk vond en wat zijn favoriete eten was.

 

Na de dood van mijn vader probeerde ik sommige gerechten die hij maakte in de restaurantkeuken na te maken. Ik had erg veel spijt dat ik nooit echt aandacht had geschonken aan zijn kookkunsten. Hij was befaamd om zijn Pekingsoep (pittige zure soep) en zijn eend was in IJmuiden een van de lekkerste.

Mijn vader is inmiddels al bijna vijftien jaar dood en toch heb ik het nog steeds niet verwerkt. Ik droom vaak over hem, dan zie ik hem in een restaurant. Als ik Chinese mannen zie die ook maar een beetje op hem lijken, denk ik vaak aan hem. Ik praat nu vaker over hem omdat ik me in mijn werk meer met Chinees eten ben gaan bezighouden. Het is daarom onvermijdelijk dat ik hem betrek in dit project.